Schilder en graficus : Een gesprek op atelier

Retour

DE BRUTALE WERKELIJKHEID

“Ieder van ons heeft zijn eigen levensweg, zijn eigen bestemming. Wij hinkelen steeds tussen hemel en aarde, tussen vreugde en verdriet.Ik ben ervan overtuigd dat de “volwassene” zich zeer vroeg manifesteert in het kind.

Zover mijn geheugen mij terugvoert – ik was toen drie of vier jaar oud – zie ik mij zitten in het midden van een dennenwoud, met in de hand een potlood waarmee ik op papier het silhouet trachtte te tekenen van de indrukwekende natuur rondom mij.”

 Sindsdien heeft die behoefte om te tekenen hem nooit meer verlaten.

 “De brutale werkelijkheid in Antwerpen gedurende de jaren 1940-1944 heeft mijn familie gedwongen zich een veilig schuiloord te zoeken. In de warme gevangenis van Wuustwezel, ten noorden van mijn geboortestad en temidden van bomen, hadden wij, om de huilende wolven van de oorlog te ontvluchten, een ruststellende schutsplaats gevonden.

Zo heb ik zeer onbewust, na die vreselijke jaren waarin mijn familie vernietigd werd en mijn vader naar Auschwitz gedeporteerd werd, een wereld van symbolen opgebouwd, een wereld waarin de boom de rol zou vervullen van genealogische hersteller, waarin bladeren en takken beschermende armen zouden worden.

Ik moest beslist met pen en potlood spreken over die oorlogsjaren van onrust, gevaar en angst.

Is het om die reden dat ik in de wereld van de kunst terecht ben gekomen? Dat is hoogst waarschijnlijk!”

ROUTE NAAR ILE SAINT-LOUIS

Na zijn middelbare opleiding in een Franstalig Lyceum van Antwerpen waar hij de Grieks-Latijnse afdeling volgde, besloot Andre zich op zeventienjarige leeftijd  in te schrijven in de Academie voor Schone Kunsten van zijn geboortestad.

 “De wonderlijke artistieke atmosfeer gaf mij de gelegenheid kunstenaars als Antoon Marstboom, René De Coninck, de acteur Julien Schoenaerts en de beeldhouwer Marck Macken, de etser Jacques Gorus en de professor esthetica Marcel van Jole te benaderen”  vertelt Andre.

 Na zijn laureaatschap welke hij in 1964 behaalde en zijn eindstudies aan de Academie van Antwerpen, werd hem een beurs aangeboden in 1968 door het Ministerie van Cultuur, om zich in Parijs te vervolmaken. Als eerste Vlaming die kon genieten van een toen nog Belgische beurs, streek hij in het jaar van de revolte neer in de lichtstad.

 “Ik verbleef er een volledig jaar in het Cité Internationale des Arts en nam mijn intrek in het studioatelier Koningin Elisabeth van België. Deze Cité is een gebouw gelegen in het hartje van Parijs. Enkele kunstenaars uit verschillende horizonten kunnen hier een artistiek onderdak vinden.”

 Intussen heeft de Vlaamse Gemeenschap, dankzij bemiddeling van Andre, een tweede atelier aangekocht, gelegen in diezelfde buurt. Dit Atelier James Ensor werd de eerste volledige 40m2 Vlaamse culturele nederzetting, lang voor het huidige Vlaams Huis in Parijs werd ingericht.

“Na een verblijf van een jaar in het Atelier Koningin Elisabeth ben ik op zoek gegaan naar een permanente woning in Parijs. Zo zijn mijn vrouw Paula en ikzelf, in 1969, op het eilandje in het hartje van Parijs, het Ile Saint Louis beland.”

 OP ONTDEKKING

“Op het Ile Saint-Louis had ik de gelegenheid in de koortsachtige atmosfeer van de verscheidene schilders- en etsersateliers te werken. Ik ondervond al snel dat een prent, litho of ets- een oeuvre op zichzelf is. De keuze van het papier, de korrel, de manier van drukken, de verhouding van marge en onderwerp, de baars, het watermerk, zijn allen niet te verwaarlozen details, waarvan ik de waarde heb leren kennen dankzij mijn leerschool in deze Parijse ateliers”.

INVLOEDEN EN BEWONDERING

“Toen ik tien jaar oud was ging ik al kijken naar Van Gogh.  Hij was het licht, een voorbeeld en zowel zijn leven als zijn werk hebben mij diep getroffen.  Uiteraard evolueerde ik en tot op vandaag heb ik veel bewondering voor Bonnard, Pierro de la Francesca et Vittore Carpaccio.  Ik had het eerder voor het intellectuele dan voor de aarde…

De aarde, dat zijn Permeke en Van de Woestyne, zij die dicht bij de boer stonden.  Maar het was toch Bonnard die mij veel vreugde verschafte bij het kijken naar zijn werken.  Een in zichzelf gekeerde, bescheiden man, waar ik enorm veel bewondering voor heb.”

 “Kleur en grafiek, gestrengheid en gevoel zijn elementen die ik enorm belangrijk vind.  Veel kunstenaars zijn of schilder of tekenaar.  Ik denk dat je beiden moet zijn.  Voor mij is een ets niet alleen een streng geheel, maar ook een spiegel om kleuren en een gevoel te spijkeren.  Toen ik nog in Vlaanderen woonde, waren al mijn etsen zwart-wit.  In Parijs is dan mijn zogenaamde Parijse periode gekomen. De bedoeling was dat ik mij aan de Parijse academie zou perfectioneren, maar door de naweeën van de revolutie werd de academie tijdelijk gesloten.  Daardoor kwam ik, zoals gezegde, terecht in de plaatselijke en authentieke ets- en lithoateliers (die in Antwerpen al gemechaniseerd waren) en ben ik er gaan werken.  Ik heb er de kleurenetstechniek leren kennen, andere kunstenaars ontmoet, en er een uiterst boeiende periode gekend.”

 Andre zijn werk bestaat niet uit één fond, hij speelt met verschillende vlakken die geïntegreerd worden.

 “Ik denk dat dit ook zo is in het leven, verschillende imago’s die op elkaar worden geplaatst waardoor je al doende een hele woordenschat in je hoofd opbouwd.  Elke stap of elk woord beïnvloedt de volgende stap of het volgende woord.  Ik zie het ook zo in mijn werk: ik werk in verschillende dimensies, maar zonder het perspectief erin te plaatsen, de kleur is het perspectief.  Ik werk niet in de diepte… maar in het tweedimensionale.”

“Dit begrip van zorgvuldigheid bij het ontstaan van een prent heb ik gedurende een twintigtal jaren aan leerlingen van het Hoger Instituut van de Academie van Antwerpen, die regelmatig op studiereis naar Parijs kwamen, trachten bij te brengen.”

 De liefde voor de etstechniek heeft natuurlijk geleid tot het illustreren van bibliofiele boeken. Is hij dan in feite geen schilder-schrijver?

“ Ik ben geen schrijver in de gangbare betekenis van het woord, maar ik ben wel geweldig aangetrokken door “l’écriture”,. Ik hou van structuur.  Ik wil een mooi evenwicht bereiken tussen woord en beeld.  In Vlaanderen zegt men te vaak dat een schilderij geen woorden hoeft te bevatten.  Ik ben het daar niet mee eens, want het woord heeft een bedoeling en is een bron van inspiratie”.

“Ik ben geen grote babbelaar, maar wel een lezer.  Ik heb mij laten vervoeren door de verhalen van  Jean Ray, John Flanders, teksten van Peter Handke,  Jef Geeraerts,  Emile Verhaeren,  Roger Caillois,  Ward Ruyslinck,  Monica Van Paemel en Arthur Rimbaud.

Ik kon auteurs vragen gedichten en teksten te schrijven over een thema dat me boeide. Daarna werden mijn illustraties aan die teksten gehecht. Er is een mysterie verbonden aan het woord, dat ik ook wens door te geven in mijn etsen. Ik denk dat het mysterie mooier is dan de werkelijkheid. Het feit dat deze bekende auteurs hiermee instemden, verheerlijkte mijn leven… .”

 “Omdat ik het geheime, intieme en verborgen gedeelte van de kunstwereld verkies, gaat mijn voorkeur uit naar kamermuziek eerder dan naar een groot orkest, verkies ik het gedicht boven de roman, hou ik van bescheidenheid boven pretentie.”

  IK VOEL ME SINT-SEBASTIAAN

“De passie voor een tekst en de weerspiegeling van zijn inhoud, zijn altijd de basis geweest van mijn grafische en picturale uitdrukking. Een lange afgelegde weg heeft mij toegelaten een persoonlijk artistiek vocabularium op te bouwen met een eigen symboliek. De boom, het paard, de vogel, het lichaam in beweging, de stad: ze vormen er de funderingen van. Deze symboliek staat me toe de diepere dimensie van mijn innerlijk gevoelsleven weer te spiegelen.”

“Ik werk dan ook weinig naar de natuur, mijn wereld wordt uitsluitend opgebouwd door visuele herinneringen. Ik streef naar de frisheid van het ogenblik. Ik voel mij zoals Sint Sebastiaan, door de pijlen van mijn sensaties doorboord, terwijl ik schilder of ets.

Daarom werd ik steeds aangetrokken door kunstenaars, schrijvers of schilders die het bestaan op mystieke wijze hebben onderzocht, die aan het dagelijkse leven een symbolische dimensie hebben kunnen geven.”
”Mijn fantasie en mijn sensaties komen tot uiting in de stilte van mijn atelier, een plaats tussen hemel en aarde in het hartje van “Le Marais” een plekje naast de Place des Vosges, waar ik tijdens het luisteren naar Bach, Mozart of Schumann, maar ook jazz, gewiegd en geïnspireerd word.

Daar stel ik mij steeds de vraag of het bestaan van een artiest nog zin heeft in onze huidige wereld? En telkens komt in mijn geheugen het beeld van “De Ekster op de Galg” van Pieter Breughel naar voren. Op de grond wordt er gedood, geplunderd en verkracht, terwijl de kunstenaar, zoals de ekster op de galg, het spektakel met een geveinsde onverschilligheid bekijkt. Maar hij interioriseert het wee en welzijn van de mensen rondom de galg.

Ik wil hopen dat wij als kunstenaars: het oor dat hoort, het oog dat opmerkt en zoekt, de toeschouwers en het geweten zijn van een wereld waarin de mensen zich elkaar verslinden.

Ik voel mij als de broze band tussen de koele werkelijkheid en de mystiek ervan. Daarom hou ik afstand van wat mode is, van de misleidende glans van de nieuwigheid, de bedwelming van het ogenblik.
Ten slotte luidt mijn leuze: “Vraagstelling boven bevestiging en twijfel boven zekerheid”.

Koen Van der Schaeghe Parijs,  januari 2005

Publicités